Heemkundige Kring

Ten Mandere Izegem

Ten Mandere - digitaal

startpagina
bestuur
nieuws
activiteiten
lidgeld
tijdschrift
geschiedenis
archief
bibliotheek
te koop
Izegemse bibliografie
Izegemse soldaten uit W.O. I

links
nieuwsbrieven

 

ten mandere blogt

 

Problemen in de schoenmakerssector in 1898

 

 

 

 

Gazette van Iseghem, 29 oktober 1898
Onze schoenmakers
Wij lezen in den Thouroutnaar:
Indien er eene nijverheid is, die lijdt onder de zware concurrencie van fabrieken en groote kapitalen, dan is ’t wel de schoenmakerij. Ook schijnt er in den ongustigen toestand, geen verbetering te komen.
Dat de machinale schoenfabrieken, wat het gewone werk betreft, op den deur onze handwerkers moeten overvleugelen, is wel onbetwistbaar.
Er blijft onze schoenmakers niets over dan zich toe te leggen op de verveerdiging van het sterke en het fijne schoenwerk. Zij moeten trachten, door het maken van voortreffelijk werk en door het nauwkeurig acht geven op de heerschende mode, de concurrencie staande te houden.
Nu is ’t waar, dat de wereld wil bedrogen zijn. Zij koopt waar het goedkoopst verkocht wordt, maar vraagt niet naar maat, gewicht of hoedanigheid.
Het volk bekommert er zich inderdaad niet meer om of de schoen genaaid of genageld is, of hij met de hand of met het machien gestikt is, of hij sterk is of niet; als hij maar goedkoop en tevens schoon is, dat is ’t bijzonderste.
En zoo werken de menschen, zoowel werkman als kleine burger en neiringdoener zonder het te vermoeden, de groote kapitalen en fabrieken in de hand, die door machienwerk en slechte hoedanigheid van grondstoffen een fabrikaat aan den man brengen, dat niet deugdelijk is, maar toch het oog streelt en vooral goedkoop is.

Hoedanigheid van ’t Leder.
Het moet uit de lengte of uit de breedte komen en goede waar moet duur betaald worden.
In de schoenmakerij vooral hangt alles af van de kwaliteit der gebruikte grondstof. In die richting klaagt de schoennijverheid erg over de concurrentie van het buitenlandsch leer, dat in den vorm van coupons, vacheslisses, liezenleer, enz., voornamelijk uit het Noorden van Frankrijk, Noord Duitschland ingevoerd. Ziedaar een der hoofdfaktoren van den slechten gang der schoenmakerijen.
Dit leder is kunstmatig bereid en kunstmatig vervalscht door glucose chloorbarium pijpaarde, enz. Nu past men in hooge mate nog een ander middel toe, en dat is: overlading met looistoffen.
Zoo komt het menigmaal voor, dat men van buitenlandsch leder 20 % en meer van het gewicht aan overtollige looistoffen kan uitwasschen, terwijl nogmaals goed leder slechts 4 tot 7 % bij uitwassching verliest, zoodat het aan belangrijk lageren prijs kan worden verhandeld dan ’t zuiver bereide inlandsch leder, te meer nog omdat de overproduktie is van alle landen, waarmee onze voortbrengst moet concurreren.
Want concurrentie bestaat niet in de kwaliteit van het leder, maar in den belangrijken lageren prijs, die dienst doet als lokaas voor den eveneens door zware concurrencie gedrukten schoenmaker.
Hij ziet daarin een middel om de concurrencie met het vreemde fabrikaat beter te kunnen volhouden en vergeet daarbij, dat hij de hand reikt aan den vreemdeling tot verdringing van het inlandsch werk.
Wat de schoenmakers vragen.
Het zou ons te ver leiden, moesten we breedvoerig de grieven onzer schoenmakers behandelen.
We zullen dus enkel in ’t kort opsommen wat ze van ’t Gouvernement wenschen en onze meening over de al of niet wenschelijkheid dezer grieven voorbehouden:
1. Eene belasting op de machienen in verhouding van hun voortbrengingsvermogen.
2. Eene belasting op de bazars, die honderden verschillende koopwaren verkoopen en toch maar, net als een gewoon schoenmaker, eenmaal patent en lasten betalen.
3. Inkomende rechten op vreemd leer en vreemde schoenen.
4. Afschaffing van de schoenmakerijen in de gevangenissen.
5. Het zou volgens hun niet meer dan billijk zijn, dat het maken van schoeisels voor openbare gestichten in aanbesteeding worde gelegd.
6. Dat alleen de schoenmakers in de gemeente verblijvende waar de aanbesteding plaats heeft, daaraan zouden mogen deelnemen.
7. Dat er strenger toezicht uitgeoefend of een zwaarder patent gesteld worde op het leuren.
8. Dat het verboden worde nieuwe schoenen op openbare markten en in verkoopzalen te verkoopen.
9. Eindelijk dat er beroepscholen voor schoenmakers worden daargesteld, waar toekomstige stielgenooten zich zouden kunnen bekwamen.
Ziehier de desiderata’s onzer schoenmakers die zich wezentlijk langs alle kanten gedrukt gevoelen.
Tegenover dezen onhebbelijken toestand moet eenieder hulde brengen aan de bedrijvigheid en aan de geestkracht onder schoenmakers, die nog al het mogelijk doen om dien ongelijken strijd vol te houden. Hunne pogingen in die richting aangewend, zijn een meer dankbare zaak weerd.

Onder de middels die den Thouroutnaar opgeeft om den stiel te verbeteren lezen wij het volgende : ‘Dat het verboden wordt nieuwe schoenen op openbare markten en in openbare verkoopzalen te verkoopen?’
Veronderstelt dat het voorstel van den Thouroutnaar aanveerd wierdt, wie zou er het eerst bij lijden? Zijn het de schoenmakers van Thourout zelve niet?
Waarvoor zou men die menschen van de markten jagen? Er komen geene vreemde schoenen naar de markt, dat ik wete, en deze die aldaar verkocht worden zijn ook door onze schoenmakers verveerdigd.
Voor wat de belastingen aangaat op vreemd leer en vreemde schoenen dat is een ander kwestie die verdient grondig onderzocht te worden.
Crispinianus.