Heemkundige Kring

Ten Mandere Izegem

Ten Mandere - digitaal

startpagina
bestuur
nieuws
activiteiten
lidgeld
tijdschrift
geschiedenis
archief
bibliotheek
te koop
Izegemse bibliografie
Izegemse soldaten uit W.O. I

links
nieuwsbrieven

 

ten mandere blogt

 

De eerste Vlaamse martelaar was een Izegemnaar

 

 

     

 

 

 

Julius Devos werd op 12 december 1854 in Oostrozebeke geboren als oudste van het gezin Petrus Franciscus Devos en Maria Victoria Tack. Zijn vader was op dat moment griffier voor het kanton van deze gemeente. In 1863 verhuisde het gezin naar Ingelmunster en drie jaar later naar Izegem. Griffier Devos betrok een woning in de Kortrijksestraat nr. 3, recht tegenover de zuidelijke toegang van de Sint-Pietersstraat.
Julius kwam in de school van de gebroeders Pollet terecht. Hij eindigde als eerste van de klas en trok daarop naar het klein seminarie van Roeselare waar hij, zoals het de gewoonte was, intern werd. Hij was op dat moment twee jaar ouder dan zijn klasgenoten, door het veelvuldig verhuizen van school tijdens zijn jeugd.
Wanneer Devos in oktober 1870 in Roeselare kwam, werd hij vanaf het begin in de stroom van de Blauwvoeterie opgenomen. Hij zat dan ook in de zogenaamde ‘Wonderklasse’. Naast Kachtemnaar Pieter Reynaert, was ook Albrecht Rodenbach leerling van die klas. Ze kregen tijdens de laatste jaren van hun collegetijd o.a. les van Hugo Verriest, Gustaaf Flamen, Edward De Gryse en Alfons Van Hee.
Er groeide stilaan een ‘school in een school’ waarbij een groepje vlaamsgezinden tegenover een groep stond die het bij de verfranste opvoedingsmethoden hield. Toch probeerde superior Delbar, begin 1875 tegemoet te komen aan die eerste groep. Dat deed hij bijvoorbeeld door dichter Lodewijk De Koninck te laten voorlezen uit zijn Nederlandstalige dichtbundel. Delbar sprak lovende woorden uit voor deze dichter in het Nederlands. Was daarmee de tegemoetkoming van de superior gewekt? Het was dan ook begrijpelijk dat de Poësisklas (van Rodenbach en Devos), bij het samenstellen van de gebruikelijke feestgedichten voor het superiorfeest, besliste om twee Franse liederen door Vlaamse te vervangen.
Maar in juli 1875 verspreidde Constant van Coillie, leerling van de Retorica, twee gedichtjes waarin hij de spot dreef (in het Frans) met een Waalse medeleerling. Superior Delbar, zelf een Waal, kon er duidelijk niet mee lachen. Hij beschouwde dit schrijven als een ‘Vlaams geschrift gericht tegen alle Walen’.
De lijst, met de twee Vlaamse liedjes, voor het komende superiorfeest, moest dus aangepast worden. Er waren twee voorstellen: ofwel één Vlaams en één Frans lied, ofwel twee Franse liederen. Rodenbach was op deze vergadering afwezig en Devos stelde een derde oplossing voor: helemaal niets zingen! Bij de stemming haalde dit voorstel bij de leerlingen een meerderheid. Slechts twee leerlingen uit die klas weigerden, waaronder de Kachtemnaar Reynaert.
Superior Delbar kon er weeral niet mee lachen en was van plan om hard op te treden. Op 28 juli 1875 vond het superiorfeest plaats, wat later de ‘Groote Stooringhe’ zou heten.
Om er een beetje de sfeer erin te houden startte E.H. De Prez, leraar van de eerste Franse klas het liedje ‘les Cuirassiers’. In het refrein komt de zin ‘Car nous sommes cuirassiers’, maar de leerlingen zongen massaal: ‘car nous sommes cuits assez’. Daarop legde Delbar onmiddellijk het feest stil en terwijl iedereen vertrok, weerklonk vanuit een studentenkamer ‘Het Lied der Vlaamse Zonen’. Daarop weerklok de kreet ‘Vliegt de Blauwvoet? Storm op zee!’
Delbar was razend: ‘S’il faut en chasser dix, j’en chasserai dix’.
Julius Devos, die voor enkele dagen de leiding van het verzet had genomen, werd bij de superior ontboden en moest de school verlaten. En dit ondanks het feit dat iedereen op de hoogte was dat de leiding in feite berustte bij Rodenbach. Maar een vooraanstaande Roeselaarse familie kon men zomaar niet krenken…
Rodenbach droeg het gedicht ‘De eerste martelaar’ op aan Julius Devos.
Devos trok na de vakantie naar Ieper en studeerde daar als eerste van de klas af. Eerst schreef hij voor de Brugse krant ‘Burgerwelzijn’, maar korte tijd later was hij journalist voor ‘Het Handelsblad’ in Antwerpen. Toen de strijd tussen katholieken en liberalen in West-Vlaanderen hoog oplaaide, haalde Brugge hem terug en schreef hij bijdragen voor ‘de Gazette van Brugge’. Hij trok in oktober 1880 het noviciaat van de paters kapucijnen in Edingen binnen en werd op 19 juni 1886 priester gewijd. Vriend Guido Gezelle maakte bij die gelegenheid eveneens een gedicht over hem. Devos werd een bekend predikant.
Hij stierf op 25 juli 1925 en werd in Izegem bijgezet in de gemeenschappelijke grafkelder van de Izegemse paters kapucijnen op de Stedelijke begraafplaats in de Roeselaarsestraat.

.